Over GRIP

»

Blog Huib

PWS-contest 2018

Vier leerlingen met hun diploma al op zak kwamen naar het NIOO in Wageningen voor de laatste beoordeling in hun middelbare schooltijd. Ze waren genomineerd voor een van de prijzen die GRIP jaarlijks beschikbaar stelt voor bijzondere PWS-en. Wanneer je in dat belangrijke examenwerkstuk ook aandacht besteedt aan de christelijke identiteit, kun je meedingen naar die prijs.
Dit jaar had de jury een PWS te beoordelen dat het verschijnsel ‘sektes’ behandelde. Naast een inhoudelijke beschrijving van een aantal belangrijke sektes besteedde de schrijfster ook aandacht aan de vraag waarom (of: wanneer) christelijke gemeenschappen geen sekte zijn. Het tweede PWS ging over een filosofisch onderwerp, namelijk het ontologische Godsbewijs. Een diepgravende studie naar Godsbewijzen die door toonaangevende filosofen uit de afgelopen tien eeuwen zijn besproken. Een interessante toevoeging was, dat de schrijver door de studie zelf tot een verdieping in zijn geloof gekomen was. Het derde PWS bestond uit een paar onderdelen: een documentaire, een les en een beschrijving over het thema ‘vergeving en verzoening in Rwanda’. Een indrukwekkend verslag van een reis ter plaatse en interviews met deskundigen in Nederland over deze twee begrippen.

De drie PWS-en werden door de schrijvers eerst nog gepresenteerd aan het publiek. Dat bestond uit de begeleiders vanuit de drie scholen, de ouders van de leerlingen en vertegenwoordigers van GRIP en het I&K-netwerk. Na de beantwoording van enkele vragen bij elk PWS was het tijd voor het juryberaad. Hun conclusie: mooie werkstukken, die terecht voor de hoofdprijs genomineerd werden. Hun keuze: het PWS over Rwanda en de manier waarop mensen die elkaar eerder naar het leven stonden, elkaar toch weer gevonden hebben en tot verzoening en vergeving kwamen. De schrijvers gingen met het geldbedrag van € 300,- naar huis en elk een oorkonde als aandenken aan hun prestatie.

GRIP beoogt met deze wedstrijd te bevorderen dat leerlingen in hun PWS ook aandacht besteden aan aspecten die te maken hebben met hun christelijke geloof. De drie inzendingen van dit jaar laten een variatie aan mogelijke onderwerpen zien. In het verleden bleek dat ook. Zo was er in voorgaande jaren een prachtig uitgevoerd kunstwerkstuk over Egypte, aan de hand van het boek Exodus; een onderzoek naar het brein en de vraag of geloven tot herkenbare hersenactiviteit leidt; een werkstuk over de begeleiding van leerlingen met gedragsproblemen; een studie naar de vraag in hoeverre geloof en wetenschap kunnen samengaan. Het is maar een greep uit de veelheid aan onderwerpen die we de afgelopen jaren gezien hebben.
In deze tijd van het jaar gaan leerlingen nadenken over een PWS-onderwerp, waarmee ze na de vakantie in hun examenjaar aan de slag gaan. Stimuleer ze om daarbij ook te bedenken of ze aandacht kunnen (en willen) besteden aan aspecten vanuit het christelijke geloof die bij het gekozen onderwerp passen. En daag ze uit om zo hun PWS een extra dimensie te geven, en mee te dingen naar de prijs in de PWS-contest, die GRIP naar verwachting in samenwerking met het I&K-netwerk organiseert. We kijken uit naar de nieuwe inzendingen!

Bètawijsheid

Een groep docenten in de bètavakken heeft afgelopen jaar gewerkt aan een advies aan scholen om aandacht te besteden aan wat zij bètawijsheid noemen. In veel scholen is het vak ANW al verdwenen; de verwachting is dat dit in het hele voortgezet onderwijs zal gaan gebeuren. Tegelijk groeit de overtuiging dat we in het onderwijs veel aandacht moeten (blijven) besteden aan de vorming. Leerlingen leven in een wereld waarin ze geconfronteerd worden met allerlei zaken waarbij ze keuzes moeten maken. Welke informatie is betrouwbaar, en hoe kan ik dat zelf bepalen? Welke alternatieven zijn duurzaam of gericht op bescherming van het leven, en hoe kun je daar verstandig voor kiezen? Zo zijn er nog meer vragen en aandachtspunten, die belangrijk zijn maar die niet automatisch aan de orde komen wanneer je op school aan het programma bij de verschillende vakken werkt.
In een aantal werksessies hebben in totaal dertien collega’s vanuit een aantal christelijke scholen samengewerkt aan een programma waarin deze aspecten worden uitgewerkt. De wijsheid die wordt nagestreefd heeft natuurlijk te maken met gezond verstand en met een wetenschappelijke houding. Er is nagedacht over manieren om hierin ook christelijke wijsheid mee te nemen. Bij ethische vragen bijvoorbeeld wordt de richting naar goed of kwaad gezocht bij het licht van de Bijbel. Naast dit curriculum zijn er ook adviezen voor de manier waarop thema’s aan de orde kunnen worden gesteld. Daarbij kan goed gebruikt gemaakt worden van het materiaal dat in de achterliggende jaren al werd ontwikkeld voor het vak ANW.
De opbrengst is onlangs (april 2018) gepresenteerd tijdens de bèta-studiedag van GRIP. Die werd gehouden op historische grond: de voormalige sterrenwacht Sonnenborgh in Utrecht. Prof. Dr. Jan H. van Bemmel, schrijver van het boek “Waar was je?”, nam de deelnemers mee in zijn denken en werken in de wereld van de wetenschap (zie ook mijn column “Oorsprong” van januari 2018 op de website van GRIP). Het is mooi om te ervaren dat een wetenschapper diep gelovig onder de indruk kan zijn en blijven van Gods grootheid in de schepping.
Het gepresenteerde materiaal is te vinden op de website van GRIP en bij het materiaal dat via www.ienknetwerk.nl gedeeld wordt. In het komende schooljaar heeft GRIP een aantal uren gereserveerd om docenten te faciliteren bij het uitwerken van onderdelen van het programma van bètawijsheid. Belangstelling hiervoor? Neem dan contact op via info@grip-g4.nl.

Oorsprong

De kerstvakantie is voor mij – naast allerlei andere dingen – een tijd waarin ik een goed boek kan lezen. Ik had er deze keer een paar. Het ene boek lag al een tijdje te wachten, in afwachting van een periode waarin ik het me kan veroorloven om helemaal in een dikke pil op te gaan. De andere boeken kreeg ik de laatste dag voor de vakantie uitgereikt, als (zelfgekozen) eindejaarscadeau van mijn werkgever. Ik ben begonnen met die dikke pil; het boek “Oorsprong” van Dan Brown. Een intrigerend boek, waarin centrale vragen zijn ‘Waar komen we vandaan?’ en ‘Waar gaan we naartoe?’. Verder vooral intrigerend, omdat kunstmatige intelligentie er een heel bijzondere rol in speelt.

Daarna kwamen de andere boeken, waar ik ook veel zin in had: “Waar was je?” van Jan H. van Bemmel en “En de aarde bracht voort” van Gijsbert van den Brink. Boeken met een serieuzer karakter, die een ander leesgedrag vragen. Je moet er meer op kauwen, als je begrijpt wat ik bedoel. Ik ben ze naast elkaar gaan lezen (en ik ben nog niet klaar). Het is verrassend hoe aanvullend (en soms ook tegenstrijdig) ze zijn. Nog verrassender vind ik dat ze met dat boek van Dan Brown een heel interessante combinatie vormen. Want ook deze boeken gaan uiteindelijk over diezelfde vragen, of in elk geval over die eerste vraag: ‘Waar komen we vandaan?’.

In de komende maanden werkt GRIP met een groepje docenten vanuit een paar scholen aan bèta-wijsheid. Nu het vak ANW op steeds meer scholen verdwijnt of geminimaliseerd wordt, is de vraag relevant hoe we onze leerlingen de vorming kunnen blijven bieden die tot nu toe vaak bij ANW centraal stond. Het gaat dan over vragen als de verhouding tussen wetenschap en geloof; ethische vragen over grenzen voor wetenschap en techniek; praktische vragen over gebruik van data, informatie en media. Ik vind het mooi dat in deze groep ook schoolleiders meedoen. Zij moeten immers besluiten nemen over de ruimte die voor deze vorming geboden wordt.
De titel “Oorsprong” van Dan Brown roept trouwens herinneringen bij me op. Een paar jaar geleden is door GRIP een module voor het vak NLT ontwikkeld met die naam. Die module gaat over precies diezelfde vragen. Waar komen we vandaan, en hoe weet je dat? Welke betekenis kun je geven aan informatie die we vinden bij opgravingen? Wat heeft kennis die je op die manier verkrijgt te maken met je geloofsovertuiging dat God alles geschapen heeft? Kortom: ik heb genoten van een mooie en rustige kerstvakantie, maar ook van boeiende en intrigerende lectuur. Antwoorden heb ik nog niet gevonden. Dat verwacht ik bij een aantal van deze vragen ook helemaal niet. Maar dat hoort bij een ontdekkingstocht in Gods wonderlijke wereld.

Huib van Leeuwen
(9 januari 2018)

 

Excellentie

De combinatie excellentie en onderwijs vind ik op de klank af problematisch. Excellentie klinkt immers als ‘wij maken geen fouten’, terwijl iedereen die verstand van onderwijs heeft weet, dat je van je fouten het meeste leert. 
Fouten maken mag dus, moet zelfs. Niet als doel op zichzelf maar als manier om te leren. In deze lijn van denken is een school excellent als leerlingen nieuwsgierig worden gemaakt. Zo worden ze aangemoedigd om dingen te onderzoeken, te zoeken naar verklaringen en van heel dat ontdekkingsproces met vallen en opstaan veel te leren. Het zijn scholen waar docenten elke dag óók veel leren, vooral van al die ontdekkingen en zoektochten van hun leerlingen. In zo’n school staat op de deur van de kamer van de directeur: ‘hoofdleerling’.

De combinatie excellentie en onderwijs kreeg tijdens mijn herfstvakantie een nieuwe dimensie. Er kwam nieuws over de invulling van de ministersposten in het kabinet van VVD, D66, CDA en CU. Eén van de ministers namens de ChristenUnie wordt verantwoordelijk voor (onder andere) het voortgezet onderwijs. Dat iemand met een herkenbaar christelijk profiel minister van onderwijs wordt, is juist nu opmerkelijk. Het is in 2017 immers 100 jaar geleden dat de Onderwijspacificatie haar beslag kreeg, met de vrijheid van onderwijs als belangrijkste goed. Ik feliciteer dan ook zijne excellentie Arie Slob van harte met deze eervolle benoeming.

Misschien heb je er nog niet bij stilgestaan, maar er ligt een bijzondere verbinding tussen GRIP en de nieuwe excellentie op onderwijs. Arie Slob heeft een aantal jaren gewerkt voor de gezamenlijke gereformeerde VO-scholen, bij het coördinatiecentrum gereformeerd VO (kortweg aangeduid als CVO). Dat was de voorloper van GRIP. Hij weet dus uit eigen ervaring hoe wij de onderwijsvrijheid in de inrichting van onze scholen vorm en inhoud geven. Dat biedt een goede basis voor gesprekken over de manier waarop we de komende 100 jaar willen omgaan met onze unieke vrijheid van onderwijs.
Excellentie; het is de officiële titel van een minister. Er spreekt respect uit. Graag spreek ik dat respect uit naar minister Slob, die als leerling en docent in het gereformeerd onderwijs is gegroeid tot wie hij nu mag zijn. Tegelijk spreek ik de verwachting uit dat er vanuit het departement respect zal blijven voor herkenbaar christelijk onderwijs, waarin leerlingen uitgedaagd worden om hun weg te vinden in Gods wonderlijke wereld.

(november 2017)

 

Allemaal kikkers

Schoolleiders verzuchten onder elkaar soms dat het niet meevalt om alle kikkers in de kruiwagen te houden. Ze hebben het dan over al die meningen en opvattingen van de mensen die in hun school aan het werk zijn. Het is niet eenvoudig om ze allemaal tevreden te houden, om ze allemaal mee te krijgen in ontwikkelingen, om met elkaar dezelfde doelen belangrijk te vinden. Ben jij ook zo’n kikker?


Ken je Kikker? Het is de hoofdpersoon in de boeken van Max Velthuis. Kikker beleeft allerlei avonturen met zijn vrienden. Je kunt daar veel van leren over alledaagse situaties. Kinderen genieten van de verhalen, wanneer ze voorgelezen worden of in een filmpje uitgewerkt. Kikker bestaat natuurlijk niet echt. Hoewel, volgens Max Velthuis bestaat hij wel degelijk. Want als je leest over Kikker, dan kom je steeds meer te weten over degene die hem verzonnen en gemaakt heeft. Kikker is dus eigenlijk Max Velthuis – tot op zekere hoogte natuurlijk, maar toch. Wie weet hoe Kikker is, in de avonturen die hij beleeft en in de manier waarop hij reageert en met anderen omgaat, die weet dus ook hoe zijn schepper is.


Ik hoorde dit vertellen in een preek. Het ging erom, dat je God leert kennen als je goed kijkt en luistert in de wereld die Hij bedacht en gemaakt heeft. En ik dacht: wij zijn dus eigenlijk allemaal kikkers. Door te zijn hoe God ons gemaakt heeft, laten we iets zien van Wie Hij is. En ook: we zijn in ons werk als opvoeders ook als degenen die kinderen voorlezen uit de boeken van Kikker. Door te vertellen wat we zien in de wereld waarin we leven, vertellen we iets over God, de Schepper van die wereld. Zou je niet graag zo’n kikker willen zijn?!

Huib van Leeuwen (oktober 2017)

 

Is het gelukt?

Juni; de tijd om terug te blikken op een schooljaar dat bijna voorbij is.
Je had ideeën, plannen en verwachtingen; wat is daar van terecht gekomen?
Is het je gelukt om vorderingen te maken?

Juni; de tijd van examenuitslagen.
Voor leerlingen een belangrijk moment.
Is het gelukt om goede cijfers neer te zetten, is het diploma behaald?

Op bepaalde momenten in je leven kom je tot bezinning en beschouwing.
Je denkt na over de dingen die je bezig houden.
Je denkt na over wat er écht toe doet in het leven.
Waar maak ik me druk over. Lukt het een beetje?

Wanneer is je leven geslaagd?
Ik hoorde het eens zo: wanneer is je leven gelukt?
Dat klinkt als geluk in je leven.
En het gaat over het doel in je leven.
Is dat doel (telos) bereikt?

Misschien is het niet zo belangrijk wat jij bereikt in je leven.
Ik denk dat het veel belangrijker is wie je wordt in je leven.
Worden zoals God je bedoeld heeft.
Worden als de mens van Psalm 1 en van Jeremia 17.

7 Gezegend wie op de HEER vertrouwt,           
wiens toeverlaat de HEER is.
8 Hij is als een boom geplant aan water,
zijn wortels reiken tot in de rivier.
Hij merkt de komst van de hitte niet op,
zijn bladeren blijven altijd groen.
Tijden van droogte deren hem niet,
steeds weer draagt hij vrucht.

Huib van Leeuwen (juni 2017)          

 

Monniken en geleerden

“Wetenschappelijk is aangetoond, dat….”. Als iemand dit zegt, dan bedoelt hij dat elke twijfel is uitgesloten. Want wetenschappelijk iets aantonen, dat betekent dat het gewoon zo is. Tenminste, zo begrijpen we dat. Wetenschap is immers objectief en onbevooroordeeld. Ja, dat is inderdaad de algemeen gangbare mening. Maar daarmee is het nog niet waar.

Monniken in de kloosters hadden veel tijd om te lezen en om na te denken. Dat deden ze allebei volop, en ze kwamen soms tot diepe inzichten. Soms was het trouwens ook nonsens wat ze bedacht hadden. Met de beste bedoelingen overigens; ze hadden een diep verlangen om met heel hun leven God te dienen. Daarom namen ze veel tijd voor bezinning, en voor Bijbellezen. Maar dat is geen garantie voor een correcte kijk op de werkelijkheid. (Misschien moet je over zo’n zin wat langer nadenken; wat is
eigenlijk ‘een correcte kijk op de werkelijkheid’?).

Echte wetenschap begint met het stellen van vragen. En je doet observaties; je kijkt en beschrijft wat je ziet. Zo probeer je tot conclusies te komen, over oorzaak en gevolg, over samenhang en orde. Galilei keek bijvoorbeeld nauwkeurig naar de manier waarop dingen vallen. Hij deed er experimenten mee en kwam tot de conclusie dat het anders zat dan hij bij de oude Grieken gelezen had. Die namen het met observaties niet zo nauw; ze vonden het belangrijker dat de redeneringen klopten met de uitgangspunten die ze zelf bedacht hadden. Dat leidde tot een wereldbeeld dat in elk geval niet klopt met wat je ziet; als je goed kijkt, tenminste. 

Galilei ontdekte nog iets. De beweging van dingen kun je beschrijven met behulp van wiskunde. Je kunt er formules voor maken (zoals voor de valbeweging), of je kunt wiskundige figuren gebruiken om de baan van een kogel of een planeet te volgen. Met die inzichten – en met nog veel meer – hebben mensen als Galileo Galilei en Leonardo da Vinci de mensheid verder geholpen op weg naar het begrijpen van de natuur en het gebruiken van de mogelijkheden die daarin zijn opgesloten.

Ze helpen ons om te begrijpen hoe het gaat. Hun wijze inzichten helpen ons geen stap vooruit bij de vraag waarom het zo gaat, of waardoor. Ze helpen ons dus wel met een correcte kijk op de werkelijkheid voor zover het gaat om die hoe-vraag. Maar laten we niet in de valkuil trappen om te denken dat ons model van de werkelijkheid wel correct moet zijn omdat het allemaal zo mooi klopt en wiskundig zo prachtig past. Als je al een antwoord kunt geven op zo’n vraag, dan is het dit antwoord: omdat God het zo gemaakt heeft. Is dat niet rustgevend? Want Hij zag dat het goed was!

 

Huib van Leeuwen (mei 2017)

 

Goed gevormd

Naast ‘gereformeerd onderwijs’ hebben we het tegenwoordig ook over ‘goed, herkenbaar en expliciet christelijk onderwijs’. Je kunt dit zien als een vertaling van de ontwikkeling in de gereformeerde scholen. Ze zijn gestart als scholen die nauw verbonden waren aan de gereformeerde kerken vrijgemaakt. Nu zijn het scholen met veel meer kerkgenootschappen waaruit leerlingen afkomstig zijn. Ik ervaar het als een ontwikkeling die recht doet aan de situatie in de kerken. En – dat zeg ik er toch maar even hardop bij! – ik ervaar het als een actuele invulling van de ambitie die de voorgaande generatie had met het oprichten van onze scholen.

Het is een spannende vraag of we van de overheid nog wel de ruimte krijgen voor het onderwijs dat we zo graag willen bieden. Honderd jaar na de onderwijspacificatie wordt steeds vaker en ingrijpender gemorreld aan de vrijheid van onderwijs. Vooral het begrip richting staat onder druk. Dit betekent, dat het bestaan van een school niet meer automatisch gekoppeld wordt aan ‘de richting’ waartoe die school behoort. Het zal steeds vaker gaan om de vraag hoe je het bestaan legitimeert vanuit de praktijk en de inhoud van het onderwijs. En dus is het niet meer afdoende om te melden dat de school ‘gereformeerd’ is. Je zult moeten uitleggen wat je daarmee bedoelt. En vooral: vanuit de praktijk bewijzen dat en hoe je dat doet.

Vorming is daarbij een belangrijk element. Die vorming zit als het ware verankerd in ons schoolbeleid en personeelsbeleid. Elke medewerker moet de christelijke identiteit vorm en inhoud geven. Maar laten we eerlijk zijn: dit soort dingen gaan niet vanzelf. Identiteit is een werkwoord. En dus heb je binnen de school een structuur nodig om met elkaar te werken aan een robuuste praktijk. Ik heb het in dat verband wel eens over een vormingscurriculum. En ik merk dat elke school daar binnen de eigen situatie druk mee bezig is. Het mooie is: de overheid stimuleert dat scholen hiermee bezig zijn. Het eindrapport Onderwijs2032 biedt veel handvatten voor expliciet christelijk onderwijs.

Het is een goed begin om een curriculum te schrijven. Daarna begint het eigenlijke werk. Dat is pas echt gelukt, als de leerlingen er wat van merken. Dat effect blijkt niet uit examencijfers. Het is een thema waarover je met elkaar in gesprek gaat. Ik zie mooie mogelijkheden in collegiale visitatie, waarbij mensen uit verschillende scholen bij elkaar op bezoek gaan. We hebben daar binnen GRIP een jarenlange ervaring mee, bij het examenvak ‘Mens en Religie’. Die ervaring kunnen we inzetten om elkaar op te scherpen bij de manier waarop we onze leerlingen vormen. We leven in een boeiende tijd, met toekomstmogelijkheden voor wat startte als gereformeerd onderwijs!

Huib van Leeuwen, april 2017

 

Tien jaar later

Januari 2007 was een bijzondere maand in mijn werk op school. Ik begon toen als voorzitter van GRIP, het platform voor de uitwerking van de gereformeerde identiteit binnen de vier scholen die zich intern ook wel aanduiden als de G4. De samenwerking op dit punt bestond al wel langer, maar vanaf 2007 hebben we zowel het initiatief als de uitvoering naar binnen gehaald. Het gevolg was, dat de zichtbaarheid en de bekendheid behoorlijk is toegenomen.

Achteraf bezien vind ik het opmerkelijk dat dit juist zo rond 2007 gebeurde. Immers, de gereformeerde zuil was toen zo langzamerhand wel verdwenen, ook voor wat betreft de scholen. We kennen de richting nog wel, maar dat is meer de juridische kant, naar de overheid toe. De vanzelfsprekende verbinding tussen de vrijgemaakte kerken en de gereformeerde scholen was 10 jaar geleden al aardig aan het verdwijnen. En juist toen gingen die vier scholen een duurzame verbintenis met elkaar aan. Niet juridisch, niet bestuurlijk, maar vooral praktisch. De overtuiging hierbij was en is, dat docenten op onze scholen gebaat zijn bij verbinding. Want zingeving in de lessen, dat is iets waarover je nooit uitgeleerd bent.

Eerlijk gezegd was ik me van dit jubileum niet bewust toen in het jaar 2017 instapte. Pas toen ik via LinkedIn gefeliciteerd werd, drong het tot me door. Het jaar 2017 is al bijzonder genoeg. We herdenken 500 jaar Reformatie en ook nog eens 100 jaar onderwijspacificatie. In dat perspectief heeft ook 10 jaar GRIP in alle bescheidenheid betekenis. Daarbij kijk ik niet zozeer terug, maar het liefst vooruit. Ook in de nabije toekomst kunnen we veel voor de gereformeerde scholen betekenen.

Die toekomst gaat ons wellicht sneller dan gedacht het einde brengen van bijzonder onderwijs. Nu hebben we nog een aparte richting: ‘het gereformeerde onderwijs’. Het is zeker niet ondenkbaar dat die juridische zekerheid gaat verdwijnen. Reden te meer dus, om werk te maken van de inhoudelijke profilering, als een sterk merk dat vooral voortkomt uit de levensbeschouwelijke profilering. Daar zijn niet alleen die gereformeerde scholen bij gebaat, maar alle scholen die serieus werk willen blijven maken van echt christelijk onderwijs. Die verbinding is de basis voor GRIP en ook voor het I&K-netwerk. Dat werk is onze inzet waard. Dat werk bestaat alleen dankzij Gods genade.

Soli Deo Gloria!

Huib van Leeuwen (januari 2017)

 

Contrast in de Werelt    

Je hebt van die teksten die zich in je geheugen vastzetten. Ik heb er twee die wel een beetje op elkaar lijken. “Maar gij geheel anders; gij hebt Christus leren kennen”. En: “U bent wel in de wereld maar niet van de wereld”. In beide gevallen lijkt de uitleg te zijn dat er een tegenstelling is tussen christenen en niet-christenen. Aan deze uitleg is ook wel de term ‘antithese’ verbonden. Deze gedachten kwamen bij mij boven, toen ik terugdacht aan de conferentie over gereformeerd onderwijs[1], die een paar weken geleden gehouden werd in… De Werelt! Een term die daar geïntroduceerd werd, was ‘contrast community’, als karakterisering van de christelijke kerk, en heel goed toepasbaar op een gemeenschap zoals een christelijke school. Terug naar die oude teksten? Een revival van het denken in termen van de antithese: ‘gij geheel anders’?

Het begrip ‘contrast community’ is onder meer gebruikt door James Bailey. Hij heeft er zijn boek over de Bergrede naar genoemd[2]. Als ik hem goed begrijp, wijst hij op een heel andere tegenstelling dan die van christenen die zich ‘tegenover de wereld’ opstellen. In de Bergrede hoor je Jezus Zelf een andere tegenstelling maken: tussen de praktijken van de gelovigen in Zijn tijd (de Schriftgeleerden en Farizeeën) en de bedoeling van God in de wetten die Hij geeft. Als een refrein klinkt het in deze hoofdstukken in Matteüs: “Jullie hebben gehoord dat …., maar Ik zeg jullie…”. Jezus wijst op de diepte van Gods geboden. Je bent er niet als je er een juridisch goed klinkende uitleg aan gegeven hebt, waar je in de praktijk van je leven verder weinig last van hebt.

Wanneer we ons houden aan de Geest van de Wet, dan maken we het verschil zichtbaar met wat in de maatschappij gangbaar is. Dat is wat Jezus ook al in het begin van zijn preek benoemde: “Jullie zijn het zout van de aarde (…) Jullie zijn het licht in de wereld”. Door het leven van christenen heen schijnt God met Zijn licht in deze wereld. Zo wil Hij zichtbaar maken Wie Hij is, en hoe Hij het leven bedoeld heeft. Heidenen leven in duisternis, zijn vervreemd van God en geven zich over aan losbandigheid. “Maar zo hebt U Christus niet leren kennen!”, zegt Paulus dan in Efeze 4 : 20. Zoals Jezus onderging in het graf en weer opstond uit de dood, zo moeten wij de oude mens afleggen en de nieuwe mens aantrekken. En dan volgen een aantal deugden, die de basis vormen voor een christelijke gemeenschap; daarbij maakt het in principe geen verschil of dat een gezin is, een kerkgemeenschap of een school.

Het is een inspirerende gedachte, dat we hier de kern te pakken hebben, het wezenlijk onderscheidende punt van een christelijke gemeenschap in deze wereld. Het gaat om mensen die Christus willen volgen (navolgen, zo je wilt). Van zo’n gemeenschap gaat een getuigenis uit, alleen al vanwege het feit dat je bent wie je bent: christen. Niet op een minimalistische manier, als we maar binnen de marges van de wet blijven. Maar op een ruimhartige manier, als zout dat krachtig is en als licht dat geen belemmering ondervindt om te schijnen. Dat geeft een goed vertrekpunt om verder te gaan uitwerken wat nu de betekenis van zo’n gemeenschap in de samenleving kan zijn. De naam ‘gereformeerde school’ is volgens sommigen vervreemdend voor de mensen om ons heen. Als dat zo is, dan moeten we ons afvragen of we toch weer niet te veel aan ónze regeltjes gehecht zijn geraakt. Want hoe kun je nu denken dat wat licht uitstraalt niet van betekenis voor de omgeving is?

Huib van Leeuwen (12 oktober 2016)


[1] De vijfde editie van de International Conference of Reformed Education (ICRE5) werd van 26 tot 28 september 2016 gehouden in De Werelt in Lunteren, met deelnemers vanuit Canada, India, Nederland, Zuid-Afrika en Zuid Korea.

[2] James L. Bailey, “Contrast Community – Practicing the Sermon on the Mount”, 2013


Het G-woord

Maarten ’t Hart [1] was ooit nog weer eens in de kerk van Warmond. Niet zozeer als gelovige; dat is voor hem een gepasseerd station. Toch heeft hij een vorm van heimwee. En hij is zelfs bereid om het orgel te bespelen, ter begeleiding van een kerkdienst met drie gelovigen (de koster, de ouderling en de dominee). De preek viel hem alles mee. Geen stevig verhaal over hel of zonde, maar vooral veel medemenselijkheid en vriendelijkheid. De kerk bleek een gemeenschap te zijn waar mensen wat aan hebben. En bovendien: ongevaarlijk, zonder moeilijk te doen over het bestaan van God. Heel anders dan die ‘Taliban-kerken’ die hij zich herinnert uit zijn jeugd, en die nog steeds bestaan. Om duidelijk te maken welke kerken hij dan bedoelt, noemt hij de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Gemeenten. Ongetwijfeld vallen ook de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerken en diverse bijzondere wijkgemeenten binnen de PKN onder zijn oordeel.

Tussen neus en lippen door associeert hij ‘gereformeerd’ met ‘Taliban’. Daar word je als gereformeerd mens niet blij van. Het begrip ‘gereformeerd’ ligt toch al niet zo lekker in de markt. Geregeld hoor je voorstellen om die term uit het verleden maar achter ons te laten. Het zou het negatieve beeld alleen maar in stand houden en versterken. In het ND van zaterdag 18 juni stond het ook al, bij een artikel over het open blijven van kleine scholen. Vroeger stond er ‘gereformeerde basisschool’ op de gevel. Nu is dat vervangen door de aanduiding ‘Bijbelgetrouw onderwijs’.

Daarna werd het zondag. Ik hoorde een preek in een gereformeerde kerk, door een gereformeerde dominee. Het ging over opvoeding in Bijbels perspectief. De dominee introduceerde, in het verlengde van de klassieke drie R’s (je weet wel: rust, reinheid, regelmaat), ook drie V’s: verdragen, verlangen en vieren. Hij werkte die uit als drie basiselementen van een christelijke opvoeding. Ik moest denken aan de drieslag van de catechismus: ellende, verlossing en dankbaarheid. En aan de aspecten van een christelijke worldview: schepping, zondeval en verlossing.

Ik vind die drie V’s vooral ook bemoedigend. Ze geven mooi de kern weer van het gereformeerd geloof (het christelijke geloof, dat mede dankzij de Reformatie nieuwe glans kreeg). Je kunt moeiten en onrecht verdragen, omdat je daarvoor kracht ontvangt. Je kunt leven met verlangen dat niet vervuld wordt, omdat er hoop is. En daarom kun je ook het leven vieren en ervan genieten, omdat je weet van Gods goedheid.

Er is niks mis met het woord gereformeerd; je moet je alleen wel willen verdiepen in de betekenis ervan. En als je dat doet, besef je dat het vooral gaat om dat andere G-woord: GENADE.

[1] Wat nu volgt is mijn weergave van een interview met Maarten ’t Hart in de zaterdagochtend uitzending op NPO Radio1 van zaterdag 18 juni 2016.

Huib van Leeuwen, juni 2016

 

Sterk merk

“Identiteit als Sterk Merk” [1] – dat is de manier waarop we als scholen van het LVGS de toekomst tegemoet treden. Ik vind het een goede aanpak. Het geeft wat mij betreft precies weer, waarmee onze scholen zich onderscheiden van allerlei andere scholen. Onze belofte aan ouders en leerlingen is, dat we ons bij het doen van ons werk in alle opzichten laten leiden door onze christelijke identiteit.

We zijn christenen; ten opzichte van anderen die zich in hun onderwijs ook zo presenteren willen we er nog wel bijzeggen: in de gereformeerde traditie. Je kunt er nog wel meer over zeggen, maar in de kern is dit waar we vandaan komen. En we richten ons op ouders die heel bewust kiezen voor een school, waar het onderwijs vanuit die overtuiging wordt gegeven. Er wordt op een herkenbare manier omgegaan met elkaar; ook de mensen die op zo’n school werken zijn zich ervan bewust dat ze kinderen van God zijn, en dat ze door Zijn genade alleen leven.

Er wordt natuurlijk gewerkt aan deugdelijk onderwijs, volgens de eindtermen en examenprogramma’s die door de overheid zijn vastgesteld. Het eigene van de gereformeerde school zit daarbij vooral in de betekenis die we aan de kennis meegeven. Dat heeft alles met een Bijbels wereldbeeld te maken. Heb je daarmee nu voldoende gezegd om te kunnen pretenderen, dat we een onderscheidend onderwijskundig concept hebben? Dat denk ik niet.

Ik ben uit volle overtuiging al jarenlang aan het werk in zo’n gereformeerde school. Ik vind het heel belangrijk, dat er scholen zijn waar de hele dag door de Bijbel open gaat, als dat past bij wat er aan de orde is. Dat doe je niet, door bij allerlei situaties te zeggen dat het bij de wereld om Gods schepping gaat. Dat is wel waar, maar het voegt al vrij snel niets meer toe. Begrijp me goed: ik vind het fantastisch wanneer leerlingen mede dankzij het onderwijs dat wij bieden, groeien in verwondering over de grote daden van God. Het gaat me nu om de manier waarop we daaraan kunnen bijdragen.

In januari maakte ik diverse momenten mee waarop ik dacht: ja, zó ben je echt goed bezig! Niet geforceerd, maar op een heel aansprekende en geïntegreerde manier. Ik mocht een aantal keren David Smith ontmoeten, docent aan het Calvin College in Grand Rapids. Hij bood een krachtige sleutel voor christelijk onderwijs. Kijk anders naar de onderwerpen van je lessen, kies voor betrokkenheid en gebruik passende werkvormen [2]. Wat er dan gebeurt? Naar aanleiding van mijn ervaringen schreef ik iets op; te lang voor een column. Ben je nieuwsgierig naar wat het me opleverde? Lees dan hier verder!

Huib van Leeuwen, februari 2016

[1] Een project van het LVGS om te komen tot een nieuwe, inhoudelijke positionering van gereformeerd onderwijs. Op 5 februari 2016 werd als eerste opbrengst hiervan het visiedocument gepresenteerd “….” 
[2] Zie ook www.whatiflearning.co.uk

 

Het motief.

Afgelopen zomer waren we in de tuinen van Yves Rocher in La Gacilly (Bretagne). Hier staan allerlei bloemen, planten en bomen, waar het bedrijf gebruik van maakt om cosmetische en medicinale producten te fabriceren. Het was voor mij een ontdekking, dat mooie bloemen ook nog nuttig kunnen zijn. En ik ontdekte dat ik zo’n geneeskrachtige plant in mijn tuin heb staan. Maar ja, hoe je die geneeskracht eruit haalt, dat stond er niet bij op het bordje. En om er nu op goed geluk een soepje van te gaan koken, dat ging me iets te ver.

Mijn tastbare herinnering aan het bezoek is een foto, die ik speciaal gemaakt heb om te gebruiken als achtergrond op mijn tablet. Het is een foto van een bijzondere bloem: de zonnebloem. Wanneer je goed inzoomt op die bloem, dan ontdek je een prachtige regelmaat in het patroon van de kleine bloempjes die het hart van de grote bloem vormen. Je ziet er een spiraalstructuur in. En als je gaat tellen, kun je een bijzondere getallenreeks ontdekken: de rij van Fibonacci. Daarom vind ik die foto van de zonnebloem bijzonder: een combinatie van de schoonheid in de natuur en in de wiskunde.

Soortgelijke patronen kun je ook zien in foto’s van een heel andere orde, namelijk gemaakt in het heelal. Sterren vormen vaak ook spiralen. In sterrenstelsels zijn de meest fantastische kleuren te zien. Het is een prachtig motief als achtergrond van de hemel waar we tegenaan kijken vanaf de aarde. Dat patroon laat, in een andere betekenis van ‘motief’, iets zien van de Schepper. Het motief van zijn almacht en genade, en ook van zijn scheppingskracht. Ik herken er ook zijn trouw in: de wereld, onze aarde in het heelal, bestaat bij de gratie van zijn werk. Hij is ermee begonnen, en Hij houdt het in stand.

Die trouw van God blijkt ook uit het motief van kerst: de komst van zijn Zoon in de wereld. Zo lief had Hij de wereld, dat Hij zijn enige Zoon gegeven heeft. Gods liefde, zijn trouw en zijn genade. Ik word eraan herinnerd door de immense sterrenhemel, met al die patronen en kleuren. En ik word eraan herinnerd door de kleine dingen om me heen, in de tuin en op het scherm van mijn tablet. Die trouw geeft moed voor de toekomst.

Een goed nieuwjaar gewenst; Anno Domini 2016.

Huib van Leeuwen, december 2015

 

Digitaliseren – een simpel recept?
Een tijdje geleden logeerde ik bij een gastvrij echtpaar. Zij maakte elke zaterdag werk van het bakken van een taart, voor de zondag. Toen ik in de keuken was om een handje uit te steken voor de afwas, zag ik daar een briefje liggen. Het was de lijst met ingrediënten die ze gebruikt had voor haar bakwerk. Het resultaat stond ernaast: een bakplaat met een heerlijk stuk appelgebak. Even kwam ik in de verleiding …. 

…. om het briefje over te schrijven om zelf ook zo’n heerlijk baksel te gaan maken. Maar ik realiseerde me al snel, dat overschrijven van ingrediënten niet zo veel zin heeft.

Het maken van lesmateriaal heeft kenmerken van zo’n bakproces. Het begint met een lijst van wat je erin wilt verwerken: de leerstof. Of nee, dat is al een stap te snel: je moet beginnen met een overzicht van de doelen die je wilt bereiken. Daaruit kun je afleiden welke onderdelen je kunt gebruiken om die doelen te gaan verwezenlijken. Daarbij gaat het om inhoud, hoeveelheid en volgorde (ook dat is bij het bakken van een taart nogal belangrijk, heb ik wel eens gemerkt).

Wanneer je een digitale methode gaat ontwikkelen, is dat beeld van een bakproces nuttig. Het helpt om je te realiseren dat elk onderdeel belangrijk is. Het grote voordeel van digitaal ontwikkelen is, dat je meteen al kunt variëren met details. Je kunt daarmee inspelen op niveauverschillen tussen leerlingen (door de taal die je gebruikt, of door de complexiteit van opdrachten). Ook rekening houden met verschillende leerstijlen kan, door de verwerking met verschillende opdrachten te laten uitvoeren met keuzeruimte voor de leerlingen.

Sinds de zomer is een groep godsdienstdocenten intensief met dit proces bezig. Met het Greijdanus als centrum wordt het bestaande materiaal van GRIP helemaal opnieuw aangepakt. Zo ontstaat een digitaal product, met een aanbod de bruikbaar is op een aantal niveaus. Via het platform van Wikiwijs en VO-content hopen we het materiaal beschikbaar te maken voor de diverse ELO’s die in gebruik zijn. Als docent heb je alle ruimte om te arrangeren (je eigen selectie maken uit het complete aanbod) en om leerlingen daarin aan te sturen.

Nog een keer terug naar het bakken van een taart. Ook al heb je alle ingrediënten in de juiste hoeveelheden, netjes in schaaltjes en bakjes in de goede volgorde achter elkaar klaar staan: je kunt niet zonder een goede bakker. Zo is het met (digitaal) lesmateriaal ook: de docent is onmisbaar voor het ondersteunen en volgen van het leerproces. Voor het leren in school blijft jouw rol cruciaal!

Huib van Leeuwen, 11 november 2015

Sluizen

De zomervakantie bracht mij dit jaar naar Bretagne. Dat deel van Frankrijk wordt doorsneden door het langste kanaal van Europa: het kanaal van Nantes naar Brest. Wanneer je dat kanaal bevaart, heb je te maken met voortdurende hoogteverschillen die netjes worden overwonnen door middel van sluizen. Ze liggen soms heel dicht op elkaar; in het gebied waar wij waren, liggen maar liefst 63 sluizen over een lengte van 56 kilometer!

Het passeren door een boot van zo’n sluis vind ik altijd weer fascinerend. De schipper moet behoedzaam de sluis invaren, nauwkeurig sturen (zeker in de smalle sluizen in dit kanaal) en er op letten dat hij op een flexibele manier aanlegt. Als je dat laatste niet goed doet, kun je op heel akelige manier in een bungelende positie komen als het water gaat dalen (of onder water terecht komen wanneer het niveau gaat stijgen). En dan het bedienen van de deuren door de sluiswachter. Dat moet zorgvuldig en in de goede volgorde gebeuren. Eerst gaat er onder water een schuif open, zodat er langzaamaan water kan doorstromen. Niet te veel water in een keer; zo wordt er geleidelijk aan naar het nieuwe waterniveau toegewerkt. Als dat klaar is, gaat de deur naar het vervolgtraject open en kan de boot weer verder het kanaal op. De sluis en de wachter hebben hun werk gedaan.

Toen ik dat stond te observeren bij een van de sluizen in het ‘Canal’, realiseerde ik mij dat dit een metafoor biedt voor wat er op school gebeurt. Vergelijk de tocht over het kanaal met de levensloop; dan zijn de keren die je in de sluizen doorbrengt te vergelijken met wat je als leerling op school meemaakt. Er is iemand die de tijd voor je neemt, die bekijkt op welk niveau ze binnen komen en of ze goed hebben aangelegd. Vervolgens zorgt zij (of hij) ervoor dat je op het goede niveau komt, terwijl jij alle tijd hebt om rond te kijken en de nieuwe omgeving in je op te nemen. Als alles in orde is, mag je verder. Het volgende jaar op school gaat beginnen.

 

  Een goede vaart!

Huib van Leeuwen, 27 augustus 2015

 

Goed onderwijs

Het is een vraag die geregeld rond zingt: ‘wat is nou precies goed onderwijs?’ Volgens mij heeft het in elk geval met groei te maken. Neem nou mijn muzieklessen op de saxofoon.

Een tijdje geleden kwam ik in het bezit van een altsaxofoon. Van veel leeftijdgenoten kreeg ik een wat meewarige, vragende blik toen ik het daarover had. Wat moet je nou in vredesnaam met een saxofoon? Tja, het leek me wel een uitdaging om te proberen dat instrument onder de knie te krijgen. De klank spreekt me aan; en bovendien heb ik jarenlang een blokfluit bespeeld, dus hoe moeilijk zou het zijn?

Met wat instructiefilmpjes op Internet krijg je een redelijk beeld van hoe het instrument in elkaar gezet moet worden, hoe je het beet houdt en hoe je erop moet blazen. Een grepentabel doet de rest, dacht ik wat naïef. En eerlijk gezegd lukte het me nog aardig om er wat geluid uit te krijgen. Maar na een paar maanden heb ik dan toch maar een afspraak gemaakt bij de muziekschool. Ik had wel een paar leervragen voor mezelf geformuleerd en stond op scherp.

De leraar hoorde mij aan, en vond dat ik al aardig mijn best gedaan had. En vervolgens zijn we aan de slag gegaan. Ik leer uit deze persoonlijke ervaringen weer meer over wat ‘goed onderwijs’ is. Het begint met waardering voor wat je al kunt – ook al is dat nog zo beperkt. Het stimuleert en enthousiasmeert wanneer je leraar zegt dat ‘ie onder de indruk is van wat je al kunt. Vervolgens kan hij je echt verder helpen, met praktische tips waardoor je vaardigheden groter worden. In mijn geval gingen de blaastechniek en de vingerzetting echt met sprongen vooruit. Wat ook helpt, is dat iemand die het goed kan, dingen voordoet; de gedachte van meester en gezel was zo gek nog niet. En ook de uitdaging, het verkennen en verleggen van grenzen hoort bij goed onderwijs. Dat brengt je tot ontwikkeling, ook al denk je na de eerste les met een aantal pittige oefeningen terug naar huis: waar ben ik aan begonnen?

Ik ging me ook afvragen: waarvoor doe ik dit eigenlijk? Nou, allereerst vanwege de kick die ik hoopte te ervaren als het je lukt om zo’n instrument te bespelen. Het lijkt me leuk en het geeft ontspanning. Bovendien kun je samen met anderen muziek maken, of ook een nuttig bijdrage leveren aan bijvoorbeeld een kerkdienst. Het argument van talentontwikkeling sprak me eigenlijk nog het minste aan.

Wanneer is onderwijs goed? Als er aandacht is voor de leerling en als die gewaardeerd wordt in wat ‘ie al kan. Als er uitdaging in zit, met daarbij de aanmoediging en een goed voorbeeld. En als docent en leerling samen plezier hebben en zich verwonderen over wat er allemaal te leren valt. En vooral: als er groei zichtbaar is. Dat is de beloning waar het vooral om gaat.

Huib van Leeuwen, 29 juni 2015

 

GRIP bij de PvdA

Tot mijn aangename verrassing werd GRIP nadrukkelijk uitgenodigd om deel te nemen aan een hearing van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer over dit onderwerp. We zijn daar graag op ingegaan; met z’n tweeën [1]waren we er bij, op 18 mei  jl. En ik ben blij dat we geweest zijn. Het gaf ons de gelegenheid om een paar punten duidelijk te maken.

De Partij van de Arbeid heeft een plan bedacht om de emancipatie van (o.a.) homo’s te verbeteren. Met de inzet van ambassadeurs zouden bepaalde groeperingen in de samenleving (scholen en kerken in de orthodoxe hoek) benaderd moeten worden om de situatie daar te verbeteren. In een eerdere blog [2]heb ik mijn visie op ‘de ambassadeurs van Bussemaker’ al gegeven. De volgende punten hebben we ingebracht.

Ten eerste: we hebben, samen met Contrario, het initiatief genomen om een lesmethode te ontwikkelen die uniek genoemd mag worden: “Homo in de klas”. Men is hiervan op de hoogte; de ervaringen ermee die we konden vertellen tijdens de hearing maakten het effect ook nog eens duidelijk.

Ten tweede: we hebben vanuit de praktijk voorbeelden kunnen geven hoe homo’s binnen een gereformeerde school een veilige omgeving hebben ervaren. Op een van onze scholen werd een speciale themamiddag georganiseerd omdat een van de leerlingen recent ‘uit de kast was gekomen’ en daaromheen een ongemakkelijke sfeer ervoer. Die situatie is in alle openheid bespreekbaar gemaakt, met als effect dat er duidelijk een veilige plek bleek te zijn ook voor deze leerling. Men vond het heel bijzonder en sprak er duidelijke waardering voor uit.

Ten derde: we hebben nog eens geformuleerd dat het door de PvdA gewenste respect ook een andere kant heeft. Wij willen serieus genomen worden in onze aandacht voor deze vraagstukken en vinden het niet reëel om weggezet te worden als scholen waar eigenlijk geen ruimte is voor homo’s. Gegeven de twee voorgaande punten kwam ook dit derde punt helder over.

Actief iets oppakken kan dus zorgen dat je opvalt. Het leverde ons de uitnodiging op voor de hearing. Onze aanwezigheid daar gaf de gelegenheid om ons duidelijk te presenteren. Ik ben blij dat we daar een helder geluid konden laten horen!

Huib van Leeuwen
juni 2015



[1] Lucy Doorn (projectleider “Homo in de klas”) en Huib van Leeuwen (voorzitter van GRIP)

[2] Zie de blog “Respect voor de school?”

een welbestede dag

Het dorp Opheusden is een kerkelijk dorp in de Betuwe. Voor de organisatie een goede reden om juist daar een symposium over creationisme te houden. Ik sprak met een paar GSR-collega's af om er op onze vrije  zaterdag naartoe te gaan. Daar heb ik geen spijt van gekregen, ondanks de waarschuwing van iemand die vreesde dat het een eenzijdige dag zou worden waar het jonge-aarde-creationisme gepredikt wordt. Ik heb er een mooie dag gehad, met als apotheose een indrukwekkende rondreis door het onmetelijke heelal. 
Het is goed om met een nieuwsgierige houding rond te kijken in de wereld. Je kunt met wetenschappelijk onderzoek veel te weten komen, over details en over verbanden. In de praktijk blijkt de grens tussen (objectieve) waarneming en (subjectieve) interpretatie niet altijd eenvoudig te zijn. Die twee aspecten van het wetenschappelijk bedrijf maken wel het verschil tussen feit en theorie, tussen wetenschappelijke zekerheid en hypothetisch model. 
De Bijbel is geen (natuur)wetenschappelijk handboek. We lezen er het betrouwbare woord van God over Zijn plan met de wereld. Hij maakt ons deelgenoot van zijn scheppende en verlossende werk. Dat besef kun je tot uiting laten komen door het bij voorkeur over 'de schepping' te hebben in plaats van 'de natuur'. En vanuit dat besef kun je met verwondering kijken naar onze plek in het heelal: de aarde, de andere planeten, het zonnestelsel, het melkwegstelsel, de onmetelijke ruimte met onbevattelijke afmetingen.  Wonderlijk gemaakt: alles is precies afgestemd op ons leven op aarde. Eigenlijk is de aarde toch - in zekere zin - het middelpunt van het heelal. 
Ook na deze mooie studiedag - voor natuurkundedocenten een volstrekt volwaardige en zeer informatieve vorm van professionalisering - ben ik nog steeds van mening, dat er geen scheiding is tussen geloof en wetenschap, maar dat een gezond onderscheid nodig is. Wie Genesis 1 leest met een marge van enkele seconden ("een dag is misschien niet precies 24 uur, mogelijk was het een paar seconden meer of minder" hoorde ik iemand zeggen) drijft de zaak onnodig op de spits. Daarmee relativeer ik niets aan Gods scheppende, wonderlijke almacht. Mede dankzij deze dag is mijn verwondering en bewondering voor de Schepper weer verder gegroeid en verdiept.

 Huib van Leeuwen, maart 2015

 

Respect voor de school?

De minister van onderwijs, mevrouw Bussemaker, heeft een plan. Dat plan richt zich op scholen die zich kennelijk onvoldoende bewust zijn van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Want op die scholen wordt onvoldoende genuanceerd aandacht besteed aan ‘taboes’ zoals uithuwelijking, eerwraak en de positie van homo’s [1]. Ook christelijke scholen moeten nodig bezocht worden, want in een recent rapport van het SCP staat “dat de emancipatie van homo’s achterblijft in gereformeerde en evangelische scholen en dat jongeren soms nog afwijzender zijn dan ouderen”. Dat dit rapport niet zo heel erg recent meer is, en dat de situatie bij een nieuwe meting wellicht beter blijkt te zijn, doet er voor de minister niet toe. “Wat blijft staan, is dat emancipatie onderhoud vraagt”. Daar worden nu  mensen voor ingezet die kennis van zaken hebben: Bussemaker heeft het over ambassadeurs uit de eigen gemeenschap. “Voor hen heb ik veel respect. Zij verdienen het niet om zo weggezet te worden.”

Intussen worden (onder andere) onze gereformeerde scholen weggezet als scholen waar niet voldoende aandacht besteed wordt aan belangrijke maatschappelijke en persoonlijke vraagstukken rond religie en rond seksualiteit. Daarmee doet de minister deze scholen onrecht. De methode waarvan zij zo’n groot voorstander is, wordt al een aantal jaren binnen die scholen gebruikt als het gaat om respect voor homo’s. Speciaal voor onze scholen is de lesmethode “Homo in de klas” ontwikkeld, waardoor leerlingen in contact komen met een homo of lesbienne die hen vertelt wat het met je doet als je opgroeit en jezelf ontdekt tijdens je tijd op de middelbare school en tot de conclusie komt dat je ‘anders’ bent. Het is een methode die, in alle bescheidenheid, bijdraagt aan begrip en respect; dat is uit onderzoek[2] gebleken. Daar zou de minister van moeten weten; haar ambtenaren weten het in elk geval wel. Dat weet ik zeker, want het kwam ter sprake tijdens een symposium op het ministerie in oktober 2014. Daar werd het onderzoek zelfs kort gepresenteerd en er was veel waardering voor onze aanpak.

Geachte mevrouw Bussemaker. Het is heel goed, dat u scholen oproept om te werken aan begrip en respect. Wij zijn de eersten om onze bijdrage aan een groeiend begrip en respect te leveren. We hebben de daad al bij het woord gevoegd en maken er elk jaar weer werk van. Dat is trouwens wat anders dan beïnvloeden van overtuigingen en brede acceptatie zonder grenzen. Wij richten ons in ons leven op wat God ons zegt in de Bijbel. Ook daar gaat het over begrip en respect, dat een deel is van ons leven als christen. In de Bijbel gaat het over goed met elkaar omgaan en elkaar zoeken, steunen en bemoedigen. En ja: het gaat ook over leven naar Gods goede regels. Die kun je overigens niet afdoen door te verwijzen naar taboes over eerwraak, uithuwelijken en seksualiteit. Onze scholen verdienen het niet om zo door u weggezet te worden. Uw ambassadeurs wens ik veel wijsheid toe. Ik ben benieuwd naar hun geloofsbrieven!

 

Huib van Leeuwen



[1] Zo wordt het plan samengevat dat Bussemaker heeft om ambassadeurs op pad te sturen naar een aantal etnische en religieuze groepen in onze samenleving; zie ‘Ieder zijn eigen seksuele beleving’, een interview met de minister in het Nederlands Dagblad van 14 februari 2015.

[2] Zie de masterthesis ‘Homo in de klas’ van Henriëtte Boersma (mei 2013, bij Penta Nova), waarin zij het effect van de lesmethode heeft onderzocht bij leerlingen van “een orthodox-christelijke school voor voortgezet onderwijs met een verondersteld homonegatief klimaat”.

 

WIJZER

Op 28 januari was ik op de identiteitsdag van het lectoraat Christelijk Leraarschap in Gouda. In een van de bijdragen werd aandacht besteed aan een schilderij van Rembrandt. Het hielp mij m’n eigen gedachten onder woorden te brengen over christelijk leraarschap.

Een leraar vertelt zijn leerlingen over de werkelijkheid. Dat gebeurt door feiten te vertellen, door die met elkaar te verbinden tot kennis, en uiteindelijk door er betekenis aan te geven. De christelijke leraar doet dat vanuit zijn eigen geloof in God, Die hij kent als Schepper van de wereld, als Verlosser van de zonde en als Heiligmaker van zijn leven.

In het christelijke onderwijs staat dus niet de leraar centraal en evenmin de leerling, maar de Waarheid. Zo groeit de leerling in kennis en wijsheid. De leraar is niet zozeer de wijze, maar een wijzer. Dat beeld komt ook naar voren uit het schilderij van Rembrandt: “Het visioen van Daniël aan de rivier de Ulai”. Daniël is daar de leerling, de engel Gabriël is de leraar; in het visioen gaat het over Gods Woorden.

 

De engel Gabriël staat in het schilderij van Rembrandt afgebeeld als iemand die Daniël bemoedigt en tegelijk de weg wijst (let op de twee handen van de engel). Zo is de christelijke docent een wegwijzer, die zelf bemoedigd wordt door te luisteren naar Gods Woorden.

In de gereformeerde traditie belijden we dat we als navolgers van Christus een taak hebben in deze wereld, als profeet, priester en koning. Voor de christelijke leraar kun je dat denk ik ook op deze manier uitwerken:

-      als profeet Gods woorden doorgeven (feiten verbinden tot kennis, kennis duiden tot wijsheid vanuit de Bijbelse
       wijsheid);
-      als priester jezelf wegcijferen (bijvoorbeeld ook door de zorg die je aan anderen besteedt);
-      als koning de schepping beheersen (door de wereld te onderzoeken en zorgvuldig te gebruiken). 

Huib van Leeuwen (3 februari 2015)

 

Reflectie

Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over. Dat gaat vanzelf, het overkomt je als het ware. Je moet er eigenlijk moeite voor doen om het er niet over te hebben. Zo werkt het als je enthousiast bent over een mooie reis die je gemaakt hebt. Of als gisteren je kleinkind geboren is.

Hoe open ben je als het over je geloof gaat? Eerlijk gezegd ben ik daar niet zo open over. Natuurlijk heb ik daar wel eens een goed gesprek over, maar meestal praat ik niet veel over wat God voor mij betekent, en hoe ik rekening houd met Zijn wil in mijn leven. En dat herken ik bij heel wat collega’s binnen de school.

Maar hoe kan dat eigenlijk? Het is namelijk een gereformeerde school, een school waar het geloof nu juist de verbindende factor is! Hoe kan het dan, dat we het daar zo weinig expliciet over hebben? Ik moest daar weer aan denken, toen ik de discussie las naar aanleiding van een boek over seksualiteit, bedoeld voor mensen die met jongeren omgaan. In het boek gaat het er vooral over dat je bewust keuzes moet maken en niet intuïtief maar dingen doen of laten gebeuren [1].

In een commentaar op deze lijn van het boek schreven twee jeugdwerkers [2] dat ze dit een heel foute benadering vinden. Want zeker bij een thema als seksualiteit moet je niet alleen maar jongeren bewust maken van het feit dat je altijd kunt kiezen. Maar je moet ze vooral ook helpen bij de vraag waar je de argumenten voor het maken van een keuze vandaan haalt. En dus is het vreemd – zo vinden zij – dat de Bijbel in dat boek van Borger niet open gaat.

Wat is onze praktijk in het onderwijs? Hebben wij het over onze eigen diepe drijfveren, als het over keuzes gaat die je kunt maken? Brengen we dan automatisch ook geloofsargumenten ter sprake, omdat ons hart daar vol van is? Of laten we dat (te vaak) achterwege?

Stel jezelf díe vraag ook eens, als je reflecteert op je onderwijspraktijk. Vraag je af hoe je leerlingen het aan jou kunnen zien dat je bij Christus hoort. En oefen jezelf in actieve reflectie: het weerkaatsen van het licht dat God laat schijnen in de wereld. Het gaat niet vanzelf. Laten we elkaar aanmoedigen om daar bewust mee bezig te zijn, voor jezelf en met de ander. Er valt nog veel te leren; samen in de school van Christus.

 Huib van Leeuwen

(november 2014)

[1] Bespreking in het ND van 19 november 2014 van het boek “Van alles over seks” - Arjet Borger. Uitg. Ark Media, Amsterdam, 2014.

[2] Reactie van Hanna van Ommen en Marije Ziedses in het ND van 22 november 2014: “Vertel het héle verhaal over seks”.

In de school van Christus!

Zaterdag 27 september 2014 werd in Kampen voor de 68e keer de Schooldag gehouden. Dat is de jaarlijkse ontmoeting rondom de Theologische Universiteit die verbonden is aan de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. Sinds een aantal jaren ging ik ook naar Kampen; ik was namelijk uitgenodigd om vanuit het gereformeerd VO een workshop in te vullen rond het overkoepelende thema van dit jaar “Navolging”. Het werd een mooie dag.

Deze Schooldag is georganiseerd rond de nieuwe leerstoel “Christelijke identiteit in maatschappelijke praktijken”, met Roel Kuiper als buitengewoon hoogleraar. Op 14 mei 2014 sprak hij zijn inaugurele rede uit, onder de titel “Identiteit & navolging – over het contextualiseren van geloof”. Daar dook die term navolging voor het eerst op. Het is de rode draad in zijn aanpak van de leerstoel.

Ik vond het een mooie uitdaging om, samen met Martin-Jan de Jong (bestuurder van het Greijdanus in Zwolle e.o.), met de bezoekers van onze workshop in gesprek te gaan. Eerlijk gezegd had ik me tot dan niet zo gerealiseerd, dat je een belangrijk doel van gereformeerd onderwijs kunt vatten met dat begrip navolging. In zijn lezing op de Kamper Schooldag benoemde Roel Kuiper drie aspecten van die navolging: Christus leren kennen, beginnen met een nieuw leven en vrucht dragen. Je kunt moeiteloos verbindingen leggen met wat er dagelijks in een school gebeurt.

Het leverde me ook een andere inzicht op. Geen nieuw inzicht, maar wel opnieuw en concreet. Je kunt aan docenten diverse belangrijke rollen toeschrijven in hun werk met de leerlingen. Bijvoorbeeld (zoals dat in de papieren van het Greijdanus gebeurt) als rolmodel, leermeester en vertrouwenspersoon. Je kunt dat alleen doen, wanneer je jezelf ook ziet als leerling. Leerling in de school van Christus. In de loop van de jaren word je wijzer, verzamel je meer kennis en inzicht, maar je bent nooit uitgeleerd.

Ik bedacht ook: we hebben het steeds weer over de vraag hoe we onze scholen willen aanduiden en presenteren. Is ‘gereformeerd’ nog wel een goede manier? Welk beeld roept dat woord op, in eigen kring en ook daarbuiten? Iemand anders nam het heel letterlijk, toen hij hoorde dat ik mijn school aanduidde als ‘reformed school’. Zijn ietwat verbaasde vraag was: “What was wrong with the first one?”. Ik reed die zaterdag naar huis met de gedachte: misschien moeten we onze school maar aanduiden als ‘de school van Christus’. Dat richt onze aandacht op onze enige Leraar, bij Wie wij allemaal in de leer zijn.

Huib van Leeuwen, 2 oktober 2014

Succes dit jaar!

Als je elkaar na de zomervakantie weer tegenkomt op school, is dit vaak een zinsnede die langs komt: Succes dit nieuwe jaar. Maak er wat moois van. Vaak is het goed bedoeld, maar eerlijk gezegd betrap ik mezelf erop dat het ook wel een beetje een oppervlakkig uitgesproken wens is. Dat gevoel werd versterkt door de kop boven het artikel in het RD [1] waarin de lectorale rede van Jan Hoogland werd samengevat: “Laat succes het onderwijs niet bepalen”.

De vraag dringt zich op: waar streven we naar in het onderwijs? Natuurlijk wil je dat de leerlingen goede resultaten halen. Geen school neemt genoegen met lage slagingspercentages bij de eindexamens. Je werkt aan effectief onderwijs, waardoor leerlingen groeien in kennis, vaardigheden en inzicht. En niet te vergeten: de school moet een veilige omgeving bieden; je wilt dat leerlingen het er naar hun zin hebben. Voor je het weet, word je meegesleept in een streven naar een hoge positionering in de rankingslijstjes. Ben je dan bezig te werken aan goed onderwijs?

Er is al veel geschreven over wat dat zou moeten zijn: goed onderwijs. Ik waag me niet aan een beschouwing waarin ik daarop een compleet of afdoend antwoord geef. Wel ben ik de afgelopen tijd wat aspecten (noem het voorwaarden) tegengekomen die nodig zijn voor goed onderwijs. Die wil ik bij de start van dit nieuwe schooljaar wel delen.

Centraal staat de docent, de leerkracht. Daarbij letten we op vakmanschap en op professionaliteit. Bij de vakman gaat het om kennis van zaken en ervaring, om praktische vaardigheid ook. De professional heeft het lef om kritisch naar z’n eigen functioneren te kijken; om mogelijkheden voor verbetering te zien, te erkennen, te bespreken en aan te pakken. Essentieel is ook, dat de docent verbinding maakt met de leerlingen en zich bewust is dat onderwijs altijd ook vorming betekent. Die overtuiging heeft voor christelijk onderwijs natuurlijk een diepere betekenis. De docent is een gids [2] voor de leerlingen, neemt hen mee in het landschap van het vak en maakt hen ook wegwijs in het leven. Op het eerste vlak is de docent de deskundige. Op het gebied van ‘het leven’ zijn we allemaal beginners en past ons allemaal de positie van leerlingen, discipelen: navolgers [3].

Volgens Jan Hoogland zijn goede scholen niet de scholen met een sterk ontwikkeld managementteam. Het gaat om goede professionals, die ‘vragen om vertrouwen in hun betrokkenheid, passie en deskundigheid’. Als je dat goed uitwerkt, zitten er in elk geval twee aspecten in die nooit tegen elkaar uitgespeeld mogen worden. Ik bedoel de aspecten die wel worden aangeduid met de woorden ‘identiteit’ en ‘kwaliteit’.

Die ‘identiteit’ staat voor de levensbeschouwelijke kaders waarbinnen we werken aan vorming van onze leerlingen. In dat opzicht zijn we allemaal leerlingen. En we zijn ons ervan bewust dat deze vorming al helemaal niet maakbaar is. We hebben de kracht van Gods Geest dagelijks nodig.

De ‘kwaliteit’ heeft veel te maken met resultaten van onderwijs. Goed werk leveren, doen wat je belooft, aangesproken willen worden als er vragen of klachten zijn. Professionaliteit veronderstelt dat je daar zelf actief mee bezig bent en dus dat je het niet (alleen) aan anderen overlaat om de kwaliteit van je werk te beoordelen. Actief doen aan reflectie en aan verantwoording.

We hebben in Nederland veel mogelijkheden om goed, christelijk onderwijs te verzorgen. Daarbij erkennen we dat we afhankelijk zijn van Gods zegen. Die wens ik u van harte toe!

Huib van Leeuwen, 2september 2014

[1] “Laat succes het onderwijs niet bepalen”, door Jan Hoogland, in Friesch Dagblad d.d. 27 juni 2014. Naar aanleiding van zijn lectorale rede, uitgesproken op de GH te Zwolle op donderdag 19 juni 2014. Zie ook het artikel “Liever uitblinken in wat goed is dan in succes” in het Nederlands Dagblad van 20 juni 2014.

[2] Zie ook de lectorale rede van Bram de Muijnck, “Wees een gids – naar een nieuw elan voor christelijk leraarschap” (Driestar Hogeschool, uitgesproken d.d. 1 november 2012).

[3] Het begrip ‘navolging’ wordt actueel gemaakt door Roel Kuiper in zijn inaugurele rede “Identiteit & navolging – over contextualiseren van geloof” (Kampen, 14 mei 2014).

 

Een mooie uitdaging!

Het profielwerkstuk geeft leerlingen de gelegenheid om te laten zien wat ze geleerd hebben. Het gaat over kennis en vaardigheden die binnen de vakken vaak niet op die integrale manier uit de verf komen. Je kunt er veel in laten zien van je eigen ontwikkeling, ook in je overtuigingen. GRIP daagt leerlingen uit om daarbij ook hun ontwikkeling als christen te laten zien. Hoe kun je in je profielwerkstuk de verbinding leggen met het christelijke geloof?

Op 24 juni was het afsluitende event van de PWS-contest 2014. De jury heeft de inzendingen bestudeerd. Volgens jurylid Martine van Veelen gebeurde dat met veel plezier, interesse en waardering. Er zijn mooie werkstukken ingestuurd. Met een korte presentatie van hun PWS lieten de leerlingen nog eens zien dat ze zich heel goed verdiept hebben in hun gekozen onderwerp en dat er een mooi resultaat uit voortgekomen is. Ze hebben het de jury niet gemakkelijk gemaakt!

De eerste prijs ging naar het werkstuk Persoonlijkheid en Spiritualiteit van Ruth-Martine en Elise, twee leerlingen van het Greijdanus in Zwolle. Ze hebben een boeiende combinatie gelegd tussen persoonlijkheidskenmerken en de manier waarop mensen uiting geven aan spiritualiteit. Ze gaan nog een stapje verder: het is goed om je daarvan bewust te zijn wanneer je anderen ontmoet, die wellicht op een andere manier dan jij hun relatie met God inhoud geven. Daarmee is dit PWS relevant voor mensen die actief zijn in jeugdwerk, inclusief het onderwijs. Ze gingen dan ook terecht strijken met de eer van de eerste prijs, en ze waren blij met de onderstreping daarvan met een geldprijs van € 300.

De andere profielwerkstukken waren absoluut ook de moeite waard. De zes juryrapporten zijn te hier te lezen. Ze geven in alle beknoptheid een indruk van de geleverde werkstukken. Net als vorig jaar bleek het de moeite waard om leerlingen uit te dagen; er wordt fantastisch werk geleverd in de PWS-en! Het is een regelrechte onderstreping van de ambitie die we hebben als gereformeerde school: leerlingen vormen om hun plek als christen in de samenleving in te nemen. Naast het compliment voor de leerlingen is het resultaat van deze tweede ronde van de GRIP PWS-contest een compliment voor de gereformeerde scholen!

Volgend jaar opnieuw? Wat mij betreft: zonder twijfel! Ik ben benieuwd welke prachtige producten er dan worden ingeleverd. En dus: ik daag je uit!

  • Leerlingen: werk een mooi thema uit en lever je resultaat in voor de volgende ronde van deze wedstrijd.
  • Collega’s: stimuleer je leerlingen om in hun PWS ook het aspect van hun christelijke overtuiging uit te werken.
  • Voor GRIP is er de uitdaging om met deze oproep de doelgroepen te bereiken en te overtuigen. Ik ga voor 15 inzendingen in 2015!

Huib van Leeuwen, 24 juni 2014

Zomaar een werkweek

Onlangs maakte ik na een week werken de balans op van de dingen waarmee ik bezig was geweest. Een heleboel dingen vallen onder 'lopende zaken' en 'praktische dingen'. Bij wie wordt de agenda daar niet mee gevuld? Gelukkig waren er die week ook een aantal 'wezenlijke dingen', en toen ik aan het einde van de week terugkeek, viel me de onmiskenbare samenhang op tussen activiteiten die ogenschijnlijk weinig met elkaar te maken leken te hebben. Het inspireerde me tot de volgende conclusies.
Er is nog altijd een gretige vraag naar gereformeerd onderwijs. Dat weet ik door de tien gesprekken die ik voerde met ouders die voor het eerst een kind bij ons op school komen aanmelden. Met al die ouders hebben we een commitmentgesprek over hun motivatie. Tegelijk wordt het vaak ook een gesprek over wat de school belooft. Die ouders hebben daar weinig vragen over, na een informatieavond en ook nog een Open Huis, en dan voor de leerling in spé nog een kennismakingslesmiddag. "Bij u op school herkennen we een echt christelijke sfeer, waar de Bijbel centraal staat", is een zin die in veel van die gesprekken voorkomt.

Er zijn nog altijd docenten binnen de gereformeerde school die zich bewust zijn van hun cruciale rol. Dat weet ik doordat meer dan een handvol collega's zich tijdens een koffiepauze spontaan meldde om in gesprek te gaan met een onderzoekster, die graag van docenten zelf wil horen hoe zij hun bijdrage zien aan de schoolidentiteit. En ik weet dat doordat meer dan tien collega's zich vrijwillig meldden om mee te doen aan een bespreking van het boek "Durf te denken" (uitgave ForumC). Intussen hebben de meesten ook al opgegeven over welk hoofdstuk zij wel een inleiding voor collega's willen houden.

Er zijn nog altijd mensen die het belangrijk vinden dat nieuwe generaties docenten worden toegerust en als het kan: opgeleid als christen-docent. Dat weet ik doordat er een vrij breed landelijk initiatief loopt om te onderzoeken hoe je zo'n module in de lerarenopleiding zou kunnen inbouwen. De verschillen tussen (algemeen) christelijk, reformatorisch, gereformeerd en evangelisch onderwijs zijn soms groot; uit dit serieuze idee blijkt dat de overeenkomsten er ook zijn, plus de bereidheid om samen te werken. Dat is bemoedigend, vooral omdat er de overtuiging achter zit dat het gereformeerde van het onderwijs niet in de papieren maar in de mensen zit.

En er zijn nog altijd mensen die het belangrijk vinden om binnen hun eigen school initiatieven te bevorderen om heel praktisch de verbinding te leggen tussen het geloof en het onderwijs aan de leerlingen. Dat weet ik omdat ik de GRIP-leden persoonlijk ken en weet dat ze, ondanks de moeite die dat soms kost, bevlogen doorgaan om iets te organiseren voor collega's, om te zorgen dat er goed materiaal is dat op tijd beschikbaar is. En vooral: om kritische vragen te blijven stellen aan schoolleiders, die door hun drukke agenda's soms niet toekomen aan reflectie en doordenking van fundamentele vragen. Met elkaar hebben we ons in die vraag verdiept: wat kunnen we als GRIPaan onze scholen toevoegen? Een confronterende maar vooral inspirerende bezinning! 

Wat is de merkbelofte van de gereformeerde school? Hoe ziet de toekomst eruit? Wat verwachten we van elkaar binnen de school? En hoe kijken ouders tegen de gereformeerde scholen aan? Het zijn vragen waar je soms onrustig van wordt; ik wel tenminste. Maar zo'n week geeft weer moed, en energie, en vooral: vertrouwen! 

Huib van Leeuwen (15 april 2014)

 

Scherper in beeld

 De identiteit van een school wordt beschreven in papieren die de organisatie heeft gemaakt en geaccepteerd; veel meer wordt de identiteit bepaald door de dagelijkse praktijk. Het is niet een los aspect van het bestaan, als een jas die je bij bepaalde gelegenheden aantrekt en die je uit doet als je echt aan het werk gaat. Het is een herkenbare grondtoon die in alles meeklinkt en feitelijk dragend is voor elke melodie die wordt uitgevoerd. Of ook een kleurstijl die bijna ongemerkt een beslissende invloed heeft op hoe het uiteindelijke beeld er uit ziet. 

Het spannende van werken aan identiteit is daarom dat het nooit uit beeld mag zijn en ook nooit een klus apart mag worden. Identiteit is pas echt en effectief wanneer er op een integrale manier mee omgegaan wordt. Dat maakt het misschien ingewikkeld (want het is geen project dat je op een afgebakende manier kunt realiseren) maar vooral ook uitdagend en kansrijk (want elke situatie biedt weer mogelijkheden om er vanuit de identiteit invulling aan te geven). Het kan wel complex zijn, want denken aan identiteit zit dus eigenlijk altijd in je (achter)hoofd, bij alles waarmee je bezig bent. 

Dit is niet een verhaal dat exclusief gaat over de levensbeschouwelijke identiteit, bijvoorbeeld die van een gereformeerde school. Het geldt voor elke organisatie die z'n identiteit serieus neemt en het de moeite waard vindt om zich vanwege die eigenheid te profileren. Maar dit verhaal geldt ook voor die gereformeerde identiteit van onze scholen en dus sta je als leidinggevende voor de uitdaging om aan de concrete vormgeving en ontwikkeling van die identiteit aandacht te besteden. Vanzelf zal het immers niet (goed) gaan. 

We hebben het niet over een aspect waar je met confectie uit de voeten kunt, of wat je kunt uitbesteden aan deskundigen van buiten. Juist daarom is er voor de identiteitsontwikkeling van gereformeerde scholen geen organisatie die naast de scholen staat. GRIP is een platform waar mensen vanuit de scholen elkaar ontmoeten, om daar ideeën op te doen en ondersteuning te vinden voor de dingen die binnen de eigen school actueel zijn. GRIP is van de scholen zelf en wordt praktisch ingevuld door mensen die dagelijks in de school werken. Het werk is soms sterk uitvoerend of productgericht (methode-ontwikkeling). In andere gevallen gaat het veel meer om het stellen van prikkelende vragen aan collega's, om het voeren van stimulerende gesprekken of het doorgeven van inspirerende voorbeelden. 

Binnen GRIP vinden we pro-activiteit een belangrijk begrip. En we hopen eigenlijk dat er ook vanuit de scholen pro-actief gebruik gemaakt wordt van onze deskundigheid en inzet. Blijf niet wachten tot er wat aan je gevraagd wordt. Je identiteit is immers van jou?!

Huib van Leeuwen (maart 2014)

Afbeeldingsresultaat voor groene kikvorsAllemaal kikkers

Schoolleiders verzuchten onder elkaar soms dat het niet meevalt om alle kikkers in de kruiwagen te houden. Ze hebben het dan over al die meningen en opvattingen van de mensen die in hun school aan het werk zijn. Het is niet eenvoudig om ze allemaal tevreden te houden, om ze allemaal mee te krijgen in ontwikkelingen, om met elkaar dezelfde doelen belangrijk te vinden. Ben jij ook zo’n kikker?

Ken je Kikker? Het is de hoofdpersoon in de boeken van Max Velthuis. Kikker beleeft allerlei avonturen met zijn vrienden. Je kunt daar veel van leren over alledaagse situaties. Kinderen genieten van de verhalen, wanneer ze voorgelezen worden of in een filmpje uitgewerkt. Kikker bestaat natuurlijk niet echt. Hoewel, volgens Max Velthuis bestaat hij wel degelijk. Want als je leest over Kikker, dan kom je steeds meer te weten over degene die hem verzonnen en gemaakt heeft. Kikker is dus eigenlijk Max Velthuis – tot op zekere hoogte natuurlijk, maar toch. Wie weet hoe Kikker is, in de avonturen die hij beleeft en in de manier waarop hij reageert en met anderen omgaat, die weet dus ook hoe zijn schepper is.

Ik hoorde dit vertellen in een preek. Het ging erom, dat je God leert kennen als je goed kijkt en luistert in de wereld die Hij bedacht en gemaakt heeft. En ik dacht: wij zijn dus eigenlijk allemaal kikkers. Door te zijn hoe God ons gemaakt heeft, laten we iets zien van Wie Hij is. En ook: we zijn in ons werk als opvoeders ook als degenen die kinderen voorlezen uit de boeken van Kikker. Door te vertellen wat we zien in de wereld waarin we leven, vertellen we iets over God, de Schepper van die wereld. Zou je niet graag zo’n kikker willen zijn?!

Huib van Leeuwen