Over GRIP
»Blog Huib
Homo in de klas – het effect
Ik heb nog even getwijfeld: zal ik wel gaan, nu het weer zo akelig is? En ga ik dan met de trein, terwijl er allerlei wisselstoringen zijn? Of kies ik voor het alternatief: met de auto het centrum van Utrecht binnendringen – ook geen pretje. Contrario zou ergens in de binnenstad, samen met twee andere christelijke homo-organisaties, de resultaten presenteren van een effectenonderzoek. Het ging ook over onze lesbrief “Homo in de klas”. Dat gaf de doorslag; ik besloot toch te gaan.
De organisatie had gekozen voor een prettige manier van presenteren. Drie leerlingen van het vmbo werden gevraagd naar hun ervaringen. Ze vonden het heel nuttig om in de klas te praten over homo’s en lesbiennes (‘zo heet dat toch?’). Het had geholpen om hun beeld eerlijker te krijgen, want tot dan toe werd dat beeld vooral bepaald door wat je erover op TV ziet: ‘Gordon, en Gerard Joling’. Ze waren er nu wel achter dat echt niet elke homo zich op die overdreven manier presenteert. Daarbij had vooral de gastles geholpen. Even goed was het nog een hele bijzondere ervaring om er deze middag bij te zijn. Tussen zoveel homofiele mensen, dat was iets wat ze niet eerder hadden meegemaakt. Eerlijk gezegd viel het ze mee; ‘het zijn eigenlijk heel gewone mensen’, liet een van de meisjes zich ontvallen.
De docent was er ook bij. Zij vertelde dat ze ook voordat de lesbrief er was wel aandacht aan het onderwerp besteedde. Wat dat betreft was er niet zoveel veranderd. Maar ze vond het wel heel goed dat er nu breder binnen de school aandacht voor is, ook bij haar collega’s. Want deze lessen worden niet gegeven door de godsdienstdocent, maar door de mentoren van de diverse klassen. Er wordt nu dus veel meer over gepraat in het docententeam. Je bereidt het met elkaar voor, je wisselt ervaringen uit, je bespreekt samen vooraf met de gastdocent (de ‘homo in de klas’) wat je verwacht. En natuurlijk: ook op andere momenten van de schooltijd wordt er over (homo)seksualiteit gepraat, bij biologie, bij verzorging en bij godsdienst. Dat was al zo en dat is zo gebleven. Het project “Homo in de klas” is een waardevolle aanvulling.
Ik ben blij dat ik geweest ben, ook al kon ik niet het hele programma meemaken. De conclusies zijn positief: er verandert iets in het klimaat op een school door deze aandacht voor – nee: niet het onderwerp, maar deze medemensen. Er groeit meer begrip en respect en daarmee hopelijk ook steun en warmte. Er blijven heel wat vragen staan, maar er is meer ruimte om het er samen over te hebben. Dat is denk ik de grootste winst!
(Huib van Leeuwen, 7 februari 2012)
GEEN GELOOFSDWANG
Geloofsopvoeding is een complex onderwerp. Als gereformeerde mensen voelen we ons thuis bij noties als “kinderen opvoeden in de vreze des Heren”, vergelijk Bijbelgedeelten als Deut. 6 en Psalm 78. Onlangs was ik nog bij een avond waar mensen uit een kerkelijke gemeente bij elkaar waren rond het thema. Er was aandacht voor hoe je als ouderen je verantwoordelijkheid kunt invullen. Tegelijk klonk het besef: de Geest moet het doen, wij kunnen onze kinderen het geloof niet geven. Op zo’n avond past mooi het samen zingen van Psalm 138:4 “Verlaat niet wat uw hand begon, o levensbron, wil bijstand zenden”. En toen las ik een aangrijpend persoonlijk verhaal in het Nederlands Dagblad (14 januari 2012), door de redactie voorzien van de uitdagende kop “Geloofsdwang leidt tot niets”.
Ik vind het verhaal aangrijpend, vanwege een aantal heel persoonlijke ontboezemingen. Dat verklaart de anonimiteit waarvoor de schrijver koos. Hij beschrijft zijn eigen jonge jaren, de keuzes die hij maakte en het besef (achteraf?) dat hij zich daarbij wel heel sterk liet leiden door wat er van huis uit van hem veracht werd. Ongewild ging hij op een soortgelijke manier om met z’n eigen kinderen. Uiteindelijk – en pijnlijk, doordat sommige kinderen andere keuzes maakten – kwam hij tot het inzicht dat hij op een dwingende manier de weg gewezen had, met averechts resultaat. Dat inzicht deelden zij (hij, samen met zijn vrouw) met hun kinderen. Daardoor herstelde de onderlinge relatie en het vertrouwen van de kinderen in hun ouders. “Wat ik met mijn geschiedenis duidelijk wil maken, is de impact die een op kerkelijk gebied dominante vader heeft op zijn kinderen. Die is in mijn verhaal tweeledig: kinderen die zich verzetten ten koste van de relatie en kinderen die hun vader volgen omwille van de relatie. Beide geven spanning, soms een leven lang!”.
Al lezend struikelde ik ook nog over een detail; ik citeer: “Ze moesten twee keer mee naar de kerk, moesten naar catechisatie, naar een christelijke school (met slecht onderwijs!)”. Dat ook nog dus; gedwongen naar de christelijke school omdat dat hoorde, terwijl het onderwijs er kennelijk niet op orde was. Een gereformeerde school heeft naar mijn overtuiging veel recht van bestaan; maar daar hoort bij dat de kwaliteit in orde is, in alle opzichten. Goed onderwijs, met ruimte voor individuele ontwikkeling en met goede resultaten. En ook onderwijs waar het kind wegwijs gemaakt wordt zonder het de eigen verantwoordelijkheid af te nemen.
De anonieme vader verwijst naar de gelijkenis van de vader die twee zonen had. De ene, de losbol, kiest ervoor om de wereld in te trekken en alles te doen wat God verboden heeft. De vader geeft hem de ruimte, en intussen blijft hij wachten op z’n terugkeer. Hij staat klaar om hem op te vangen, met open armen en een groot hart. De andere, de braverik, doet wat van hem gevraagd wordt; maar hij doet het zonder overtuiging, zonder liefde. Wie van deze twee, denk je, heeft – uiteindelijk – gedaan wat zijn vader zo graag zag gebeuren?
(Huib van Leeuwen, 17 januari 2012)
HOGE VERWACHTINGEN
Heb je vanmiddag een half uurtje tijd voor me? Ik wil het graag even met je hebben over je werk. En dan vooral, hoe je onze gereformeerde identiteit uitdraagt naar de leerlingen. Ik ben bezig met een document voor de Raad van Toezicht, en jij als docent moet natuurlijk wel weten wat daarin staat. Want als jij niet op die manier werkt, ja dan komt er natuurlijk niets van terecht. We kunnen dan meteen even kijken naar de resultaten van het examen, want binnenkort moeten we weer nieuwe gegevens plaatsen in de Vensters voor Verantwoording. Naar buiten toe moeten we wel uitleggen waarom we bij jouw vak maar matig scoren. En graag ook wat afspraken over de lessen die je binnenkort weer moet geven, met Homo in de klas. De politiek heeft nu ook besloten dat we daar goed aandacht aan moeten geven.
Er wordt veel van je verwacht. Natuurlijk heeft de school een maatschappelijke functie. We willen graag bijdragen aan een samenleving waarin mensen elkaar met respect behandelen. Dat gaat niet vanzelf; respect is een deugd, waarvoor je veel moet oefenen. De school is daarvoor niet de enige plek, maar wel een belangrijke. Voor gereformeerde scholen geldt dat ook. Aandacht voor respect is niet typisch gereformeerd, en toch: vanuit ons christelijk geloof krijgt het begrip een diepere lading. Dat christelijk fundament moeten we in ons onderwijs vooral ook concreet benoemen (bijvoorbeeld als het gaat over respect voor iemand die homoseksueel geaard blijkt). Tegelijk blijven de Bijbelse normen over seksuele moraal voor iedereen gelden. Dat zal moeten blijken uit fundamentele documenten, in de lespraktijk en ook in de praktijk van bijvoorbeeld personeelsbeleid.
Er wordt veel van je verwacht. Onze scholen heten gereformeerd. De betekenis daarvan is niet altijd direct zichtbaar, bijvoorbeeld in het onderscheid met een evangelische of een reformatorische school. Ook daar willen mensen op het fundament van de Bijbel met hun werk bezig zijn. Dat is een belangrijke gemeenschappelijke drive. Steeds vaker ontmoeten collega’s elkaar ook als broeders in de Here, waarbij de kerkelijke diversiteit en gescheidenheid pijnlijk ervaren kan worden. Van die gezamenlijkheid geniet ik en het bemoedigt vanuit de wetenschap: er is een bredere steun voor echt Bijbelgetrouw onderwijs. Daarnaast ervaar ik ook de rijkdom van ons gereformeerde gedachtengoed, waarvan ik als centraal punt het G-woord zou willen noemen: GENADE. Dat wonder van Gods reddingsplan koesteren we als kern van de gereformeerde traditie.
Er wordt veel van je verwacht. Gelukkig sta je er niet alleen voor. Zoek je persoonlijke inspiratie bij God, laat je steeds weer vollopen met zijn Geest. Geniet van je werk. Daarbij wens ik je net zulke fijne collega’s toe als ik dagelijks tegenkom in onze scholen. Samen komen we verder!
Huib van Leeuwen (22 november 2011)
RESETTING THE DIAMOND
Het lag in een oud doosje in een la van het bureau van zijn grootvader: een zwart uitgeslagen ringetje. Ze vond het nooit echt bijzonder; alleen het idee dat het door iemand uit haar voorgeslacht gedragen was weerhield haar ervan om het weg te gooien. Tot ze het nog weer eens pakte en ze getroffen werd door het stukje glas dat in het sieraad gevat was. Uit nader onderzoek bleek het een heuse diamant te zijn. Via wat relaties vond ze een adresje waar ze het verouderde en vervuilde zilver ruilden voor een fonkelnieuw exemplaar. De diamant werd netjes overgezet en het resultaat was prachtig: een ring die direct de aandacht trekt van iedereen. Zo werd een onaanzienlijk en vergeten diamantje weer de moeite waard.
Zo’n soort reset voltrekt zich mogelijk dezer dagen in de boezem van het gereformeerd onderwijs. Jarenlang – om precies te zijn: 60 jaar – speelt het LVGS een belangrijke rol bij de invulling van dat kostbaar bezit dat we hebben: eigen scholen waar onderwijs gegeven wordt naar de leer van de gereformeerde kerken. Op 10 oktober 2011 was de reset een feit. De ledenvergadering bevestigde de overgang naar de nieuwe structuur door de benoeming van een voorzitter: Jan Westert. Volgens sommigen krijgt hij een onmogelijke klus mee; in z’n eentje de belangen van de gereformeerde scholen behartigen bij de overheid en in allerlei netwerken.
Ik zie vooral ook een kans in deze ontwikkeling. De diamant, dat is ‘het gereformeerd onderwijs’. De setting ervan verandert; eigenlijk moet je zeggen: is al een tijdje aan het veranderen. Belangrijk is, dat de diamant goed gevat is in een structuur. Daarmee gaat het niet om die structuur zelf, maar nog steeds om de diamant. Het LVGS als netwerkorganisatie, dat sluit mooi aan bij dat beeld van een ring: verbinding maken, op allerlei manieren, om zo die prachtige diamant te laten schitteren. Bij die taak wens ik Jan Westert graag alle goeds en bovenal Gods zegen!
Huib van Leeuwen (3 november 2011)
ROOMSER DAN DE PAUS?
Het voelde symbolisch: maandag 15 augustus 2011 was de eerste dag na mijn zomervakantie dat ik weer naar school zou gaan, om de draad van het werk te gaan oppakken na een aantal weken van rust. 's Morgens bij het ontbijt pakte ik het ND van die dag, en ik ontwaarde in de hoek van pagina 1 een bericht met als kop "Pleidooi voor triangel gezin – school – parochie". De eerste zinnen van het bericht schudden mij direct wakker: "Gezin, school en kerk moeten een eenheid vormen. Deze 'triangelgedachte'- die vaak is gebruikt om de noodzaak aan te tonen van christelijk onderwijs – moet in rooms-katholieke kring nieuw leven worden ingeblazen." Ik stopte even met lezen en bedacht dat er in plaats van rooms-katholiek ook best 'gereformeerd' had kunnen staan. Het beeld van de triangel wordt immers geregeld genoemd als een beeld dat ooit paste bij gereformeerde scholen, maar in deze tijd – zegt men – is dat beeld toch behoorlijk achterhaald. Men wijst dan op ontwikkelingen binnen de kerken, en op allerlei afwegingen die ouders maken als ze een school voor hun kind kiezen.
Ik lees verder: "De samenleving stelt niet alleen 'wat-vragen' maar ook 'waarom-vragen' (..). En het is belangrijk dat die op school vanuit een onversneden katholiek-christelijk perspectief worden beantwoord, omdat de antwoorden alleen buiten de mens zelf gevonden kunnen worden. Kinderen hebben een stevig kader nodig waarop ze te allen tijde kunnen terugvallen (...). Daarvoor is een goede samenwerking nodig tussen een degelijke katholieke thuisomgeving, de parochie en de school. Als een van deze drie het laat afweten, wordt het moeilijk het kind dat kader te geven." Aan het eind van het bericht staat de conclusie dat er juist nu dringend behoefte is aan scholen "waar daadwerkelijk katholiek onderwijs gegeven wordt door daadwerkelijk katholieke leerkrachten". In gedachten vervang ik viermaal het woordje 'katholiek' door 'gereformeerd', en ik zeg hartgrondig amen! op deze tekst. De triangel klinkt kennelijk toch eigentijdser dan wel beweerd wordt.
Onbewust leverde die krant een bijdrage aan de start van een nieuw schooljaar. Het hart van de bijzondere school klopt bij de docent en zijn collega's. Elke medewerker heeft z'n eigen rol en kansen. Op die kwaliteiten zetten wij in met onze GRIP-activiteiten. Ik wens ons toe dat we elkaar weten te vinden en dat we elkaar kunnen bemoedigen vanuit onze gezamenlijke inspiratie.
Huib van Leeuwen (30 augustus 2011)
Gereformeerd kan niet zonder kerk
Er is een belangrijke discussie opgerakeld door het Nederlands Dagblad. Daar werd op 24 juni een interview afgedrukt met twee collega's van HAAL (een cluster van gereformeerde PO-scholen in Hilversum, Amersfoort, Almere en Leusden). Jan Overweg is daar de bestuurder. Hij werkt aan een inhoudelijk document om de identiteit van de scholen te beschrijven. Dat geeft naar zijn overtuiging een betere basis voor de gereformeerde identiteit dan het simpele criterium van kerklidmaatschap.
Ik snap de redenering die hieronder ligt wel. Gereformeerde scholen zijn begonnen vanuit de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. In de tijd tussen 1950 en 2011 is er nogal wat gebeurd op het kerkelijke erf. We hebben een beweging gemaakt van herkenning en erkenning, waardoor er van kerkelijk exclusivisme geen sprake meer is (voor zover dat ooit wel het geval is geweest). Als gevolg van die kerkelijke ontwikkeling staat er geen sterk is-gelijk-teken meer tussen de gereformeerde school en de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt.
En toch: het is een ontwikkeling waarmee we ons nog altijd op het kerkelijke erf bevinden. Nauwkeuriger geformuleerd: op het gereformeerde kerkelijke erf. Het is niet eenvoudig om (kort) te omschrijven wat je bedoelt met 'gereformeerd'. Voor mij staat wel als een paal boven water, dat je niet gereformeerd kunt zijn zonder je verbonden te weten met 'de kerk van alle tijden en alle plaatsen'.
Wanneer je wilt staan 'in de gereformeerde traditie', dan ben je lid van een kerk die in die traditie staat en dan maak je daar in je leven ook echt werk van. Dat mag je zeker verwachten van iemand die actief wil meewerken aan gereformeerd onderwijs. En dus is het logisch om van een medewerker te vragen dat hij belijdend en meelevend lid is van een gereformeerde kerk.
Ik voel me daarom goed thuis bij de herinnering die Jan van der Steeg oproept in zijn reactie in de krant van 29 juni. Hij verwijst naar een uitspraak die de Raad van State deed in de vijftiger jaren, als onderbouwing voor de aparte gereformeerde richting in het onderwijs. "Met deze formulering werd aangegeven dat niet alleen het kerklidmaatschap doorslaggevend is, maar dat ook de leer van de kerk een belangrijke richtinggevende factor is", zo schrijft mijn oud-collega.
Daar ligt de verbinding met de gereformeerde traditie, of met het gereformeerd belijden. Daar hoort de visie op verbond en doop ook bij. In dat opzicht moet collega Overweg nog maar eens goed nadenken, voordat hij dingen vastlegt of juist niet vastlegt in zijn identiteitsdocumenten.
Huib van Leeuwen (30 juni 2011)
getwitter
Twittert u al? Er zijn mensen die er heel wat tijd aan lijken te besteden. Het past helemaal bij deze tijd; je hoort er echt bij, als je van je naam een twitteraccount maakt. Bijna niemand weet waar het woord hashtag vandaan komt, maar het klinkt wel "heel erg 2011". Met twitter kom je in een heel nieuwe wereld terecht.
Ik moet u iets bekennen: ik doe er niks mee. Ik heb nog geen tweet geschreven en ik heb er nog niet een gelezen, in elk geval niet op de manier waarop het hoort. De website van Twitter heb ik nog niet bezocht. Ik kom niet verder dan zo af en toe wat tweets achterop het ND. Bij het lezen van sommige van die berichten kan ik een gevoel van exhibitionisme niet van me afzetten. Ach, misschien ben ik er te ouderwets voor?
Deze houding ten opzichte van dit eigentijdse medium bezorgt docenten een achterstand. Je laat er een kans mee liggen om je leerlingen te bereiken. Nee, het gaat me er niet om dat we voortaan onze huiswerkopdrachten per tweet naar de leerlingen moeten sturen. Maar we missen mogelijkheden wanneer we ons niet zouden verdiepen in de moderne media waar onze jongeren zich van bedienen. Als je niet weet waar je het over hebt, dan heb je ook niet het recht om er iets van te vinden. Of om met ze in gesprek te gaan over de kansen en gevaren van de social media.
Bent u al met uw leerlingen in gesprek over twitter? Gebruikt u twitter in uw onderwijspraktijk? Onderhoudt u twittercontact met uw mentorleerlingen? Onderhoudt u een profiel op Hyves of Facebook? Ziet u alleen maar bedenkingen of ook kansen en voordelen? Ik ben eigenlijk wel benieuwd. Laat eens wat horen, gewoon via e-mail! Dan is er wat meer ruimte voor inhoud. Dit - voor mijn doen - korte stukje bestaat al uit bijna 1500 tekens: meer dan tien tweets, als ik het goed heb.
Huib van Leeuwen, 19 mei 2011
Meer lezen? klik hier